Het is hartverwarmend te ervaren hoezeer de Japanse medemens zich inzet voor de Gaijin die zich haar taal eigen wil maken. Haar, want vooral vrouwen zijn altijd bereid, in ruil voor wat Engelse conversatie, te helpen met karakters leren, de woordenschat uit te breiden, of de uitspraak aan te scherpen. Mannen zijn eerder geneigd, na wat plichtmatige complimenten, te benadrukken dat het echt niet hoeft hoor, Japans, en dat iedereen best Engels met mij kan praten. Aangezien de meeste van hen dat echter in de praktijk helemaal niet kunnen, en omdat ik ooit zelfstandig een pizza wil kunnen laten bezorgen, zet ik door. Met vrouwen.
Nu was ik in Nederland al een vooraanstaand feminist en tegen vrouwen heb ik niets. Probleem is echter dat vrouwen heel anders Japans spreken dan mannen. Formeler vooral. Zelfs giebelige schoolmeisjes spreken onderling alsof ze allemaal op hun minst Koningin zijn en overladen elkaar met beleefdheidsfrasen, archaïsmen en ander fraais. Ook daar is niks op tegen, maar door vooral van vrouwen Japans te leren, praat ik zelf nu ook een beetje als een keurige jongejuffrouw. Dat gaat me, met al mijn modernige principes, toch wat te ver. Als ik een pilsje bestel kijken mijn disgenoten meestal bijzonder geamuseerd, als ze al niet openlijk schateren om mijn lievige, hyperbeleefde meisjesjapans.
Hoog tijd, kortom, om mijn Japans te doorspekken met een aantal stevige krachttermen. Nadat mijn secretaresse mij de "te-vorm" had uitgelegd, vroeg ik dus achteloos hoe je in het Japans effectief en, vooral, aanstootgevend vloekt en scheldt. "Dat doen wij niet", luidde tot mijn verbijstering het antwoord. Of, verbijstering, ze is ook wel een beetje èrg keurig, met haar strenge rokken en dat pasgepromoveerd sociologisch ei met wie ze van zins is te trouwen. "Wat zeg je dan als je keihard je kop stoot?" Ze doet haar best het zich voor te stellen. "Ik denk dat ik "au, ik stoot mijn hoofd!" zou zeggen." Dit leidt tot niets.
Gelukkig is mijn spaghettivriendin en huispsychologe N. wat robuuster. Toch komt ook zij niet veel verder dan "au" en "au mijn hoofd". Nu is N. getrouwd met een veel geschiktere kerel, met radicale opvattingen, een maatschappijvijandige aard en een bedenkelijke voorkeur voor het infame uitgaansgebied rond station Juso. "Wat zou je man dan zeggen?" Ze weet het niet, zegt ze, en ze vindt het teveel gedoe om de situatie in scène te zetten. Daar neem ik geen genoegen mee, en na veel aandringen stamelt ze, met haar hand even beschaamd als bevallig voor mond, "kusoo". Kusoo, legt ze uit, betekent poep. "Maar je mag het nooit zeggen hoor! Het is verschrikkelijk onbeleefd!" Ja ja. Dat zal wel.
Reeds de volgende dag zie ik mijn kans schoon. Alle printers komen van de duivel, dat is bekend, maar het onding op ons kantoor is, zelfs voor een printer, uitzonderlijk kloterig. Samen met collega Bamboebos sta ik verhit aan tonercassettes, sheetfeeders en andere perfide onderdelen te rukken. Nu is hij, zoals dat heet, een ruwe gast, met zijn punkhaar, overbodige metalen kledingstukken en gescheurde jeans. Ik waag het erop. "Watashitachi no poelinta kusoo desu ne?"
Minutenlang staart hij mij onthutst aan. Ik zie hem langzaam opwarmen tot een bijna onmenselijke razernij. "Hai, Rarufu-san", gromt hij tussen zijn tanden, terwijl de knokkels van zijn gebalde vuisten wit wegtrekken. Voor ik kan vluchten heeft hij zich omgedraaid naar de gehate machine, en regenen de slagen op het beige plastic. "Fuck" schreeuwt hij. "Fuck, fuck, fuck this poelinta! FUCK THE POELINTA!"
Tevreden ga ik weer aan mijn bureautje zitten. Ze kunnen het wel, die Japanners.
Als ze maar willen.
dinsdag 20 november 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
2 opmerkingen:
Het is goed te zien dat je nog altijd naar hartelust kinki-blogt. En je haalt bij de japsen ook het beste naar boven. Ta mission civilisatrice begint z'n eerste vruchten af te werpen. Ga zo door!
ow... dat kwam dus van de Groningse eedgenoot.
Een reactie posten